Delfts Symphonie Orkest

Klassiek speelt bij DSO!

De titel “Nocturne”dient hier op een algemene en meer in het bijzonder, schilderkunstige wijze te worden geïnterpreteerd. Hij duidt daarom niet op de gebruikelijke (muzikale) vorm van de Nocturne, maar daarentegen op alle verschillende indrukken en de speciale effecten van het licht die het woord suggereert.

Met deze woorden laat Claude Debussy zijn eigen programmatoelichting beginnen bij de Trois Nocturnes, geschreven in 1899. Zoals de woorden al suggereren haalde de componist zijn inspiratie voor een belangrijk deel uit de schilderkunst. Hoewel Debussy vaak een muzikale impressionist wordt genoemd had hij zelf een hekel aan die benaming en het is aannemelijk te maken dat de belangrijkste invloed niet kwam van de eigenlijke impressionistische schilders maar meer van sommigen van hun voorgangers en tijdgenoten, met name de Amerikaanse schilder James McNeil Whistler. Whistler maakte een reeks schilderijen genaamd “Nocturnes” en deze vormen een goede illustratie van dit stuk van Debussy. Het zijn veelal gezichten van havens en rivieren, met een gedempte lichtval, zware bewolking en vooral opgebouwd uit schakeringen van één kleur, veelal grijs en gebroken wit. In de beschrijving die Debussy geeft van het eerste deel laat zich zo’n schilderij onmiddellijk herkennen:

“Nuages” (wolken) geeft de onveranderlijke aanblik van de hemel en de langzame, plechtige beweging van de wolken weer, die verdwijnen in grijstinten met lichte toefjes wit.

Het tweede deel is geïnspireerd op één specifiek schilderij van Whistler: “Nocturne in zwart en goud: de vallende vuurpijl.” Op dit grotendeels zwarte schilderij is duidelijk het lichteffect van vuurwerk te zien. Whistler maakte dit naar aanleiding van een vuurwerkshow in Londen.

“Fêtes” (feesten) geeft ons het vibrerende, dansende ritme van de atmosfeer met plotselinge lichtflitsen. Er is ook een episode van een optocht (een duizelingwekkend, fantastisch visioen) die zich door de feestelijkheden heen beweegt en zich ermee vermengt. Maar de achtergrond blijft altijd hetzelfde: het feest met zijn mengeling van de muziek en lichtgevend stof dat deelneemt aan het kosmische ritme.

Het laatste deel tenslotte lijkt geen directe parallel te hebben met het werk van Whistler. Wel is het een uitbeelding van de één van Debussy’s favoriete onderwerpen: de zee. Hieraan zou hij later een volledig driedelig orkestwerk wijden: “La Mer”. In dit deel is een belangrijke rol weggelegd voor een klein vrouwenkoor dat vocaliseert, d.w.z. woordloze klanken zingt.

“Sirènes” beeldt de zee uit met zijn ontelbare ritmes en op dit moment, temidden van de golven die zilverachtig schijnen in het maanlicht, is het mysterieuze gezang van de Sirenen te horen wanneer ze lachen en zich voortbewegen.